ABULUKA
BASENJIS
Terug
ZIJN HEUPDYSPLASIE EN ELLEBOOGDYSPLASIE
ERFELIJK?
Prof. Dr. H.A.W. Hazewinkel
Faculteit der Diergeneeskunde,
Vakgroep Geneeskunde van Gezelschapsdieren,
Universiteit Utrecht
Bron: Centennial Conference Dutch Kennel Club, 2 juli 2002
Inleiding
In de veterinaire praktijk vallen heupdysplasie (HD) en elleboogdysplasie
(ED) onder de meest voorkomende orthopedische afwijkingen. Beide komen
vooral voor bij middelgrote en grote honden, beide zijn
ontwikkelingsstoornissen, en beide zijn voor de patiënt vaak een bron van
veel pijn en ongemak. Daar komt nog bij dat, niettegenstaande de inzet van
individuele fokkers en rasverenigingen, HD en ED onverwachts de kop kunnen
opsteken bij een of meer honden terwijl nestgenoten van diezelfde honden géén
klinische tekenen van kreupelheid tonen. Alvorens in te gaan op de vraag die
in de titel van deze bijdrage wordt gesteld - zijn HD en ED erfelijk? - geef
ik eerst wat achtergrondinformatie over deze aandoeningen.
Ontwikkeling van heup- en ellebooggewricht
Het skelet van een hondenembryo is aanvankelijk een structuur van kraakbeen.
Kraakbeen is zacht weefsel dat groeit door celvermenigvuldiging en door
vergroting van de individuele kraakbeencellen. Dit is vergelijkbaar met het
meeste andere weefsel in het lichaam, maar anders dan botweefsel. Botweefsel
heeft een vaste structuur en bevat botcellen die zich niet kunnen delen en
die niet kunnen groeien. Tegen de tijd dat de pup wordt geboren, wordt het
kraakbeen in het midden en in de uiteinden van lange beenderen vervangen
door bot. Alleen tussen deze benige centra en aan het einde van het bot
blijft kraakbeen aanwezig, dat in dit stadium groeischijfkraakbeen wordt
genoemd omdat het ervoor zorgt dat het skelet na de geboorte nog kan
groeien. Het kraakbeen van de groeischijven tussen de benige delen zorgt
ervoor dat de lange botten in de lengte groeien. Het kraakbeen dat de
botuiteinden van gewrichten bedekt zorgt voor de groei in diameter van dat
deel van het skelet. Het proces van kraakbeengroei wordt gevolgd door
transformatie van het kraakbeen naar het veel hardere botweefsel. Wanneer
dit verbeningsproces is voltooid en alle groeischijven zijn vervangen door
bot, groeit het skelet niet meer: het dier is volgroeid. Maar dit betekent
niet dat het verbeende skelet niet meer verandert van vorm en samenstelling.
Bot wordt afgebroken door speciaal daarvoor toegeruste cellen en wordt waar
nodig vervangen door andere cellen. Botmodelleren begint al in de jeugd en
gaat door bij volwassen dieren. De groeicurve van opgroeiende honden van
grote rassen verloopt steiler dan die van jonge honden van kleine rassen,
vooral tussen de eerste drie en zes levensmaanden. Met andere woorden, de
groei van pups van grote rassen gaat samen met een snellere groei in kilo's
lichaamsgewicht en in centimeters botlengte per week. Verschillen in
groeisnelheid worden ook veroorzaakt door individuele variatie in hormonen
(mannelijke versus vrouwelijke hormonen) en in milieuomstandigheden. Onder
die laatste vallen ook de kwaliteit en de hoeveelheid van de dagelijkse
voeding. Deze factoren beďnvloeden niet alleen de groei van kraakbeen maar
ook de botvernieuwing. Het heupgewricht bestaat uit de heupkom (het
acetabulum) en de heupkop (caput femoris) op een hals. Bij de opgroeiende
hond bestaat de heupkom uit vier kleine botdelen, met kraakbeenzones
daartussen, zodat de doorsnede van de kom groter kan worden en zich kan
aanpassen aan de groei van de kop. De kop groeit via het proces van
kraakbeengroei en verbening tot bot. Tijdens de groei verandert de hals,
waarbij de contacthoek tussen kom en kop aangepast wordt. Kop en kom worden
bijeen gehouden door een kleine gewrichtsband, het kapsel van de
gewrichtsholte en de spieren rond het heupgewricht. Een goede aansluiting en
pasvorm zorgen dat kom en kop zich harmonieus kunnen ontwikkelen. Als de kop
niet, of niet goed, in de kom zit, wordt de kom onvoldoende diep. Als de
kraakbeengroei van de kop wordt belemmerd, dan blijft die te klein of
'onvolwassen' (en daarom kwetsbaar). Wordt de skeletomvorming belemmerd, dan
is de richting van de hals niet aangepast aan het groeiende skelet. Het
ellebooggewricht wordt gevormd door drie beenderen: de bovenarm (humerus) en
de bijeenhorende botten in de onderarm, het spaakbeen (radius) en de
ellepijp (ulna). Deze drie beenderen passen perfect in elkaar, zodat de
elleboog kan strekken en buigen. Verder kan de onderarm in zekere mate
draaien (schroevendraaierbeweging), wat vooral een beweging is tussen
spaakbeen en ellepijp. De ellepijp heeft twee belangrijke uitsteeksels: (1)
het processus anconeus, dat van belang is bij het strekken van het gewricht,
en (2) het processus coronoďdeus, dat van belang is bij de draaiende
beweging van ellepijp rond spaakbeen. Zoals alle skeletonderdelen zijn het
processus anconeus en het processus coronoideus aanvankelijk van kraakbeen;
tijdens de groei wordt dit vervangen door benig weefsel. Dit
verbeningsproces is met 5 tot 7 maanden zo goed als voltooid. Als de
lengtegroei van spaakbeen of ellepijp wordt belemmerd, kan de kom die deze
twee beenderen samen vormen onvoldoende aansluiten op de vorm van de kop van
de bovenarm; het resultaat is een incongruentie met het gewrichtsvlak van de
humerus. Als er abnormale schuifkrachten worden uitgeoefend op het processus
anconeus of het processus coronoďdeus, kunnen deze afbreken. De
ontwikkeling van kraakbeen ter afdekking van het benige deel van het
processus coronoďdeus of op het gewrichtsvlak van de humerus kan verstoord
worden, hetgeen tot plaatselijke verdikking kan leiden. Zo'n kwetsbaar
stukje kraakbeen kan afbreken; het gevolg is een gefragmenteerd processus
coronoideus of een los flapje kraakbeen.
Heupdysplasie (HD)
Door een stoornis in de normale ontwikkeling van heupkom en -kop en een
slechte aansluiting van deze beenderen zullen delen van het
kraakbeenomhulsel overbelast raken. Dit veroorzaakt vervorming van het
kraakbeen en uiteindelijk misvorming van het gewricht. Bovendien zal de
instabiliteit van het gewricht leiden tot een stoornis van het kraakbeen en
gewrichtsontsteking, hetgeen pijnlijk is. De kop zal uiteindelijk niet
langer diep in de kom passen waardoor het heupgewricht misvormd
(dysplastisch) wordt. De gewrichtsontsteking wordt chronisch
(osteoarthrose), hetgeen leidt tot beperkte bewegingsmogelijkheid van de
heupgewrichten en tot pijn tijdens en vooral na activiteit. Bij
osteoarthrose groeit nieuw bot (osteophyten) aan de randen van het gewricht,
rond de kom en op de hals. Deze osteophyten woekeren alle kanten op, de
groeisnelheid is afhankelijk van de ernst van de osteoarthrose. Bij jonge
honden van 4 tot 12 maanden is pijn de meest opvallende klinische indicatie
van HD: pijn tijdens het staan (de hond gaat snel weer zitten), pijn tijdens
het lopen (de hond weigert te lopen, loopt met zwaaiende heupen), en pijn
bij springen of klimmen. Een slechte of goede aansluiting van kop en kom kan
worden aangetoond met speciale klinische of radiologische technieken. Met röntgenfoto's
kan de aansluiting van kop en kom objectief worden gekwantificeerd door
bepaling van de Norbergwaarde en botwoekeringen kunnen met speciale
radiologische beelden zichtbaar worden gemaakt. Bij oudere honden gaat het
vooral om pijn na te zware inspanning, en niet zozeer om niet graag te
willen of kunnen staan, lopen, springen of klimmen. Bij jonge honden met
HD-klachten kan een slechte aansluiting van kop en kom operatief
gecorrigeerd worden. Bij volwassen honden kan een kunstmatig gewricht
ingebracht worden. Niet-operatieve behandelingen zijn aangepaste
lichaamsbeweging, gewichtsbeperking en medicatie.
Elleboogdysplasie (ED)
De term "elleboogdysplasie" (ED) omvat een aantal onderling
onafhankelijke afwijkingen die alle in het ellebooggewricht optreden en
vooral voorkomen bij jonge honden van grotere rassen. Deze afwijkingen
veroorzaken pijn en leiden uiteindelijk tot invaliderende osteoarthrose van
het aangetaste gewricht.
De meest frequent voorkomende diagnoses van stoornissen die onder ED vallen,
zijn: (1) een losgeraakt processus aconeus (los processus anconeus = LPA);
(2) een losgeraakt of afgebroken processus coronoďdeus (LPC); (3) een los
stukje gewrichtskraakbeen afkomstig van de humerus (osteochondrosis
dissecans, OCD); (4) twee verschillende vormen van gewrichtsincongruentie
met gestoorde groei van de radius of de ulna (dat wil zeggen, de kom sluit
niet perfect aan op het gewrichtsvlak van de humerus). De losse stukjes bot
of kraakbeen in het geval van LPA, LPC of OCD irriteren het gewricht en
veroorzaken pijn, gewrichtsontsteking en uiteindelijk osteoarthrose.
Elleboog Incongruentie (EI) veroorzaakt schuifkrachten op en mogelijke
losraking van het processus anconeus of coronoďdeus, met als gevolg LPA of
LPC. EI veroorzaakt ook te zware belasting van een kleiner draagvlak van het
gewricht, waardoor het kraakbeen wordt aangetast met als gevolg pijnlijke
gewrichtsontsteking en uiteindelijk osteoarthrose.
Een hond met één aangetaste elleboog zal ergens tussen 4 en 6 maanden
beginnen te kreupelen. Als beide ellebogen door ED zijn aangetast, dan
zullen de enige indicaties waarschijnlijk een korte paslengte en een
tegenzin om te rennen en te spelen zijn. Bij klinisch onderzoek kan men een
licht gekraak horen of voelen als het gewricht wordt bewogen. LPA, OCD en EI
kunnen zichtbaar gemaakt worden op drie verschillende radiologische
opnamerichtingen. LPC is in de beginfase moeilijk te zien en wordt pas
duidelijker zichtbaar als zich tekenen van osteoarthrose ontwikkelen.
Operatieve verwijdering van irriterende losse fragmenten (LPA, LPC, OCD) of
operatief vastzetten van het LPA, en chirurgische correctie van
incongruentie zijn geďndiceerd in de meeste gevallen van milde
osteoarthrose. Bij ernstige osteoarthrose van het ellebooggewricht is de
prognose voor volledig herstel matig tot slecht. Niet-operatieve behandeling
van osteoarthrose omvat verminderde dagelijkse inspanning, beperking van
lichaamsgewicht en medicatie om kraakbeengroei te bevorderen,
gewrichtsontsteking te remmen en pijn te verminderen.
Invloeden van het milieu op HD en ED
Dr. Kealy verrichtte een heel interessant onderzoek met 20 Labrador-paren.
[1] Per paar ging het om 2 nestgenoten van hetzelfde geslacht, die samen in
één kennel waren gehuisvest. Eén van de twee mocht zoveel eten als
hij/zij wilde, terwijl de ander 2/3 van die hoeveelheid kreeg. Met
regelmatige tussenpozen werden alle honden gewogen en geröntgend. De honden
die onbeperkt mochten eten bereikten een gemiddeld lichaamsgewicht van 32
kg, hun nestgenoten die de beperkte hoeveelheid voedsel kregen bereikten een
gemiddeld gewicht van 23 kg, terwijl alle honden dezelfde beenlengte hadden.
De losheid van de heupen (uitgedrukt met de Norbergwaarde) en de mate van
osteophytenvorming (osteoarthrose) was bij de ongelimiteerd gevoerde honden
groter dan bij de beperkt gevoerde honden. Voor Duitse Doggen grootgebracht
op voer met veel mineralen, vitaminen en energie toonde dr. Hedhammar aan
dat bij onbeperkt gevoerde honden het modelleren van kop en hals van dijbeen
achterbleef vergeleken me55t beperkt gevoerde nestgenoten, waardoor de kop
slechter in de kom past. [2] Dr. Kasström toonde voor nesten van Duitse
Herders, Golden Retrievers en Labrador Retrievers aan dat onbeperkte voeding
leidde tot frequentere en zwaardere HD dan gevonden werd bij beperkt
gevoerde nestgenoten. De uiteindelijke heupscore had meer te maken met
voeding en gewichtstoename dan met losheid van het gewricht bij de jonge
hond. [3] In Utrecht werd aangetoond dat bij Duitse Doggen grootgebracht op
voer met een hoog calciumgehalte, de kraakbeenkernen in de elleboog op
latere leeftijd verbeenden dan het geval was bij honden die opgroeiden met
een gebalanceerd voer met een lager calciumgehalte. [4] Ook afwijkingen in
de lengtegroei van het spaakbeen en de ellepijp, waardoor EI ontstaat,
werden vaker gevonden bij Duitse Doggen die te veel calcium kregen. Tevens
werden stoornissen in kraakbeentransformatie (OCD) vaker geconstateerd bij
Duitse Doggen die opgroeiden met een calciumrijk voer dan bij nestgenoten
met een gebalanceerd dieet. [5] Bij honden van kleine rassen veroorzaakte
een hoge mineraalopname niet de skeletstoornissen die we bij de grote rassen
zien. [6] Ook voeding met een hoog vitamine-D-gehalte kan leiden tot
symptomen van OCD en/of verstoorde groei van spaakbeen of ellepijp.
Onderzoek van Nap c.s. toonde aan dat voedsel met een hoog eiwitgehalte,
zoals puppyvoer van goede kwaliteit, géén negatieve invloed heeft op de
skeletontwikkeling. [7]
Samengevat: snelgroeiende honden kunnen HD en/of ED ontwikkelen wanneer ze
worden grootgebracht op een mineralen- of vitaminenrijke voeding, of zelfs
als ze een overdadige hoeveelheid gebalanceerd voer krijgen, terwijl ras- en
zelfs nestgenoten die met correcte voeding.worden grootgebracht géén HD of
ED krijgen. Hondenvoer met de optimale hoeveelheid mineralen, vitaminen,
eiwitten en koolhydraten schept de basis voor een normale
kraakbeenontwikkeling, voor verbening van het kraakbeen, en voor definitief
modelleren van de beenderen. In vroeger tijden, toen er nog geen puppyvoer
beschikbaar was met een lage mineraal- en energiebalans, adviseerden
dierenartsen om puppies een voer voor volwassen honden te geven, om zo de
opname van mineralen, vitaminen en energie te beperken. Maar de lagere
energiewaarde van het voedsel dwong de pup om meer grammen van dat
'volwassen' voer te eten. Daardoor kwam ook de dagelijkse opname van
mineralen en vitaminen boven de optimale hoeveelheid uit, waardoor
skeletstoornissen zoals HD en ED onopzettelijk gestimuleerd werden. Recent
onderzoek heeft uitgewezen dat honden van reuzenrassen die grootgebracht
worden op een gebalanceerd puppydieet met maximaal 0,8 tot 1% calcium (% van
droge stof) zowel een versneld proces van botvernieuwing kennen als een
niet-verstoorde kraakbeengroei en verbening van het kraakbeen. In combinatie
met een verminderde energieopname schept dit puppyvoer de optimale
omstandigheden voor een ongestoorde skeletontwikkeling.
HD en ED zijn dus geen erfelijke afwijkingen?
We hebben gezien dat voeding een belangrijke invloed heeft op de mate waarin
HD en ED optreden. Dit geldt vooral voor jonge honden van grote rassen, die
sneller groeien dan de pups van kleine rassen. Uit onderzoeken van Nap c.s.
onder dwergpoedels bleek dat een teveel aan mineralen slechts milde,
klinisch niet-relevante gevolgen had voor de skeletontwikkeling bij deze
kleine tot middelgrote honden.
Dr. Ubbink en anderen toonden aan dat bij de Nederlandse Labradorpopulatie
ED wordt aangetroffen in bepaalde verwante subpopulaties. Daarnaast toonde
Ubbink aan dat LPC en OCD voornamelijk in verschillende subpopulaties
optreden, en slechts zelden tegelijk in dezelfde subpopulatie worden
gevonden. [8] In een onderzoek onder Berner Sennenhonden met röntgenologisch
gediagnosticeerde ED (met name LPC met EI) bleek dat deze honden dezelfde
levensstijl, huisvesting en voedingsregimes hadden als een vergelijkbare
groep Berner Sennenhonden met ED-vrije ellebooggewrichten op röntgenfoto's.
Deze studies lijken aan te geven dat de ontwikkeling van ED onafhankelijk is
van voeding, levensstijl of huisvesting. Populatieanalyse gaf aan dat HD en
ED een lage erfelijkheidsgraad (h˛) hebben, die voor verschillende
onderzochte rassen onder min of meer uniforme milieuomstandigheden varieert
van 0,2 tot 0,6 voor HD, en van 0,24 tot 0,55 voor ED. [9] Met andere
woorden: zowel HD als ED vereist een sterke invloed van het milieu om
duidelijk tot uiting te komen.
Als we de resultaten van bovenstaande studies combineren, kan geconcludeerd
worden dat HD en ED optreden bij honden van bepaalde rassen en dat deze
afwijkingen zich zullen ontwikkelen onder bepaalde milieuomstandigheden.
Naar de invloed van voeding - één van die omstandigheden - is veel
onderzoek gedaan. Theoretisch zou het mogelijk zijn honden van kwetsbare
rassen op te laten groeien onder milieuomstandigheden die het tot uiting
komen van HD en ED bevorderen, om zo de genotypische lijders te vinden. We
zullen echter meer geneigd zijn om jonge honden van HD- en ED-gevoelige
rassen groot te brengen met een optimale kwaliteit en kwantiteit van
voeding, en met beperkte beweging, om niet het risico te lopen dat we de
ontwikkeling van skeletstoornissen stimuleren. Het gevolg daarvan is dat de
genotypen van HD en ED onopgemerkt blijven in de populatie, en pas naar
voren komen in een volgende generatie, als nakomelingen van fenotypisch
vrije honden onder minder gunstige omstandigheden worden grootgebracht. Om
te voorkomen de genen voor HD en ED in de populatie verspreid raken, dienen
de fokdieren nauwgezet op HD en ED onderzocht te worden, met de meest
moderne technieken. Voor de fokkerij moeten honden met onaangetaste
gewrichten of met de minst ernstige gradatie van de stoornis worden ingezet.
Onderzoek van volledige nesten van Labrador Retrievers toonde aan dat uit
fenotypisch gezonde ouders honden met ED worden geboren. [10] Uit analyse
bleek dat het gen voor LPC in dit ras hoogstwaarschijnlijk dominant met
variabele expressie is: vooral bij reuen correspondeert het genotype met het
fenotype, terwijl bij de teven het gen voor LPC verborgen kan blijven. Deze
wijze van vererving is een tweede oorzaak voor onverwacht her-optreden van
een skeletafwijking in een volgende generatie. Onderzoek bij honden met HD
heeft aangetoond dat dit wellicht een polygenetische stoornis is, waarbij
meerdere afwijkende genen moeten samenkomen om de HD tot uiting te brengen
in een aangetaste hond. [11]
Aanvullend op het onderzoek van individuele fokdieren, zal nakomelingen- en
familieonderzoek helpen om inzicht te krijgen in de genotypen van het
fokmateriaal. Er zijn aanwijzingen, op basis van recent
moleculair-biologisch onderzoek, dat zowel HD als ED "major gene"
fenomenen zijn, dat wil zeggen dat één of meer genen een hoofdrol spelen
bij het optreden van deze afwijkingen. Het is de verantwoordelijkheid van de
internationale kennelclubs om onderzoek te stimuleren en te ondersteunen om
deze genen te lokaliseren, om zo de dragers, die de afwijkende genen aan de
volgende generatie doorgeven, te kunnen opsporen. Het zal nog enige
hondengeneraties duren alvorens DNA-onderzoek voor HD of ED realiteit is.
Daarom is het nu tijd dat de internationale kennelclubs tot een uniform
systeem van beoordeling en registratie komen en bekendmaken op welke methode
hun beoordeling is gebaseerd, zodat fokkers in binnen- en buitenland inzicht
krijgen in de status van heup- en ellebooggewrichten. Op dit moment hebben
we te maken met een gevaarlijke paradox: honden uit landen met de meest
gevoelige beoordelingsmethode voor HD en ED kunnen lager scoren en het
daardoor op de internationale markt verliezen van honden die getest zijn met
behulp van onderzoeksmethoden die volgens de moderne veterinaire inzichten
niet meer acceptabel zijn.
Samenvatting
HD en ED zijn beide stoornissen in de ontwikkeling van het snelgroeiende
skelet, die samengaan met veel lijden voor de aangetaste honden en hun
eigenaars. In risicorassen treden HD en ED veelvuldiger en in ernstiger mate
op bij honden die worden grootgebracht op voer met een hoog vitamine- of
mineralengehalte, op voer verrijkt met mineraal- of vitaminesupplementen, of
wanneer het voedselaanbod onbeperkt is. Anderzijds kan een verlaagde inname
van calcium (optimaal is 0,8-1,0% Ca/droge stof) en beperkte energieopname
het optreden van HD en ED onderdrukken. De wijze van vererving, de lage
erfelijkheidsgraad en de grote invloed van milieuomstandigheden (vooral
dagelijkse voeding) op het optreden van HD en ED in genotypisch aangetaste
dieren kunnen de redenen zijn dat fokdieren waarvan werd aangenomen dat zij
vrij waren van HD en ED toch lijders onder hun nakomelingen hebben.
DNA-testen dienen het toekomstige doel voor internationale kennelclubs en
rasverenigingen te zijn. Nauwgezet en consequent testen van fokdieren en hun
naaste verwanten, en heldere internationale certificering van heup- en
elleboogstatus zijn de belangrijkste punten voor de hedendaagse kynologie om
verspreiding van de genen gerelateerd aan HD en ED binnen de risicorassen,
en daarmee het optreden van deze invaliderende stoornissen, tegen te gaan.
Literatuur
1. Kealy R.D., Lawler D.F., Allam M. et al., Five-year
longitudinal study on limited food consumption and development of
osteoarthritis in coxofemoral joints of dogs. Am.J.Vet.Med.Assoc. 210,
222-225, 1997.
2. Hedhammar, A., Wu F., Krook L. et al, Overnutrition
and skeletal disease, an experimental study in growing Great Dane dogs.
Cornell Vet 64 (suppl 5), 1-160, 1974.
3. Kasstrom H., Nutrition, weight gain and development of
HD, an experimental investigation in growing dogs with special reference to
feeding intensity. Acta Radiol Suppl. 344:135-179, 1975.
4. Voorhout, G., Hazewinkel, H.A.W., A radiographic study
on the development of the antebrachium in Great Dane pups on different
calcium intakes. Vet. Radiol. 28, 152-157, l987.
5. Hazewinkel H.A.W., Influences of different calcium
intakes on calcium metabolism and skeletal development in young Great Danes.
Thesis Utrecht University, 1985.
6. Nap R.C., Nutritional influences on growth and
skeletal development in the dog Thesis Utrecht University, 1993.
7. Hazewinkel, H.A.W., Nap R.C., No consequences of
restricted and high dietary protein on skeletal development of Great Dane
dogs, Compendium on Continuing Education for the Practicing Veterinarian 21,
25-31, 1999.
8. Ubbink G.J., van den Broek J., Hazewinkel H.A.W.,
Rothuizen J., Cluster analysis of the genetic heterogeneity and disease
distribution in purebred dog populations Vet Rec. 142, 209-213, 1988.
9. Morgan J.P., Wind A., Davidson A.P., Hereditary bone
and joint diseases in the dog, Schlütersche Verlag, Hannover (G), 2000.
10. Everts, R.E., Molecular genetic studies in the dog:
application to FCP in the Labrador retriever. Thesis Utrecht University
2000.
11. Todhunter R.J., Acland G.M., Olivier M. et al.,
Genetic linkage analysis of complex diseases: the canine hip dysplasia
paradigm, International workshop 'Canine Genetics: the map, the genes, the
diseases', J.A. Baker Institute for Animal Health-Cornell University, July
1997.